Wim Oude Weernink
Autojournalist en autohistoricus Wim Oude Weernink weet als geen ander klassieke voertuigen op hun mérites te beoordelen. Bijna ... Lees meer »
Het historisch taboe bij Renault
Door: Wim Oude Weernink
2012-01-02
“De erfgenamen van Renault eisen alsnog genoegdoening en financiële compensatie”, heeft u twee weken geleden in verschillende kranten kunnen lezen. En toen dacht u: kan die columnist van Autokopen.nl daar niet wat meer over vertellen. Het is inderdaad een onderwerp dat op zijn minst een verdere verklaring vraagt, hoe complex de zaak ook is. Het betreft namelijk de nationalisatie van Renault in 1945 en het taboe dat daarop tot de dag van vandaag rust.
Na de bevrijding van Parijs in september 1944 meldde Louis Renault – eigenaar van de gelijknamige autofabriek – zichzelf onder druk van sterke populistische communistische krachten op 22 september bij de Franse justitie. Daarmee dacht hij vervolging voor vermeende industriële collaboratie met de Duitsers te voorkomen. Maar een dag later werd hij alsnog gearresteerd en in het cachot gegooid. Een maand later, op 24 oktober 1944, overleed Louis Renault in de gevangenis van Fresnes onder nooit opgehelderde omstandigheden. Hij zou ondanks een zeer zwakke gezondheid zijn gemarteld. In januari besloot generaal De Gaulle echter onder genoemde politieke druk van links en een postume beschuldiging van heulen met de vijand de onderneming Renault inclusief alle fabrieken te naasten en om te vormen tot een Régie Nationale, de hoogste status van een staatsbedrijf in Frankrijk.
Nadat een jaren later uitgevoerde autopsie uitwees dat de overleden Louis Renault zijn rugwervel had gebroken diende zijn weduwe Christiane nog wel een aanklacht in tegen de Franse staat met als beschuldiging moord op haar echtgenoot. Maar zij en hun enige zoon Louis-Jean kregen geen cent. Wat Renault’s nazaten nog meer stak, was echter de nooit juridisch bevestigde collaboratie van hun echtgenoot en vader met de Duitsers. Met andere woorden: Louis Renault heeft nooit een eerlijk proces gekregen zodat zijn daden in de oorlogsjaren nooit konden worden bewezen. Maar in de politiek gevoelige jaren vijftig, en onder leiding van de eerste directeur van de ‘Régie Nationale des Usines Renault’, oud-verzetstrijder Pierre Lefaucheux, lag op de nationalisatie van Louis Renaults voormalig persoonlijk eigendom alsook zijn persoon een groot taboe. In Renaults geschiedenis wordt die episode ook angstvallig verzwegen en met de dood van zijn zoon in 1982 leek de zaak gesloten. Alleen een voorzichtige genoegdoening voor persoonlijk aangedaan leed nam hij mee in zijn graf.
Daarmee was de kous echter niet af. In 1996 ging Renault ‘naar de beurs’ en verloor de politiek beschermde status van een Régie Nationale’, al hield de Franse regering tot de dag van vandaag een aandeel van 15 procent. Zeven kleinkinderen van Louis Renault hebben nu alsnog besloten een schadeclaim bij de Franse staat in te dienen tegen een in hun ogen onrechtmatige nationalisatie zonder financiële compensatie van de fabriek van hun grootvader. Volgende maand komt de zaak voor het Franse gerecht. De communistische vakbonden die 65 jaar geleden op nationalisatie aandrongen zijn daarover furieus – net als toen. Sommige dingen moet je na 65 jaar laten rusten, soms moet je ook elkaar de hand kunnen reiken. De consument intussen zal vanwege dit soort zaken geen auto meer of minder kopen. Kijk naar Volkswagen: daar zat ooit ene Adolf H. achter en ook Ferdinand Porsche, de grootvader van de huidige VW commissaris Ferdinand Piech. Toch is VW nu ’s werelds grootste autoproducent, en Porsche het grootste sportwagenmerk.

